Politiereglement

Algemene bepalingen

Art. 7.1.1.
Elk overlijden in de gemeente wordt zonder verwijl en uiterlijk de eerstvolgende werkdag aangegeven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dit geldt eveneens indien een menselijk lijk op het grondgebied van de gemeente wordt ontdekt.
Het overlijden wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand vastgesteld op basis van een getuigschrift afgeleverd door de behandelende geneesheer of een geneesheer hiertoe aangesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Art. 7.1.2.
Tot vormneming, balseming of kisting mag slechts worden overgegaan nadat het overlijden werd vastgesteld door de behandelende geneesheer of de geneesheer hiertoe aangesteld, ofwel, wanneer het overlijden te wijten is aan een gewelddadige of verdachte oorzaak, na vrijgave van het lijk door de procureur des Konings.
Behalve om te voldoen aan een gerechtelijke beslissing mag de kist na de kisting niet meer geopend worden.

Art. 7.1.3.
1. De nabestaanden of diegenen aangesteld door de nabestaanden die voor de begraving, bijzetting of uitstrooiing instaan, regelen met het gemeentebestuur de noodzakelijke formaliteiten. Bij ontstentenis daaraan, wordt door het gemeentebestuur het nodige gedaan.
2. a) De ter aardebestelling, hetzij begraving, bijzetting, crematie of uitstrooiing van de as zal plaatshebben binnen de 7 dagen, volgend op de dag van overlijden of van vast-
stelling van overlijden, zon- en feestdagen niet meegeteld. De begrafenisondernemer
is gehouden deze termijn te respecteren.
b) De burgemeester beslist over uitzonderingen om ernstige redenen.
3. Het gemeentebestuur beslist over de datum en het uur van de begraving, bijzetting of uitstrooiing. Behoudens in speciale gevallen, op advies van de behandelende geneesheer, zal de begraving, bijzetting of uitstrooiing ten vroegste plaatshebben 24 uren na de aangifte van het overlijden.

Art. 7.1.4.
De teraardebestellingen van de stoffelijke resten hebben plaats op één van de gemeentelijke begraafplaatsen.
De begraafplaatsen zijn bestemd voor het begraven van stoffelijke overschotten, het bijzetten van stoffelijke overschotten in reeds bestaande grafkelders, het begraven van asurnen of het bijzetten ervan in een columbarium, en de verstrooiing van as op een strooiweide van :
a. personen die in het plaatselijk bevolkingsregister ingeschreven zijn, personen, overleden op het grondgebied van de gemeente en menselijke lijken, ontdekt op het grondgebiedé;
b. personen die in de gemeente effectief wonen, doch krachtens wettelijke bepalingen of internationale overeenkomsten vrijgesteld zijn van inschrijving in één van de bevolkingsregistersé;
c. personen die begunstigde zijn van een eerder afgeleverd recht op begraving in een geconcedeerd perceel of bijzetting in een bestaande grafkelder of in een geconcedeerde nisé;;
d. personen die sedert minder dan 10 jaar de stad verlaten hebben, waarvan de familiebanden hun begraving op één van de gemeentelijke begraafplaatsen rechtvaardigen en voor wie een aanvraag werd ingediendé;
e. uitzonderlijk en voor zover de overledene een bijzondere relatie heeft gehad met de stad kan de burgemeester toestemming geven tot begraving op een gemeentelijke begraafplaats, conform de bepalingen van het huishoudelijk reglement en het retributiereglement. Het college van burgemeester en schepenen zal nadien in kennis worden gesteld van deze toestemming.

In de gevallen vermeld onder b. en c. moeten de nodige bewijsstukken voorgelegd worden door de aanvrager.

Art. 7.1.5.
De dodenhuisjes op de begraafplaatsen moeten voor het bewaren van de stoffelijke overschotten van overleden personen of asurnen in afwachting van de begraving of in afwachting van het vervoer naar een andere plaats in de gemeente, naar een andere gemeente of naar het buitenland.
Deze bewaring mag geenszins langer duren dan 12 uur.
De opzichter van de begraafplaats is belast met de maatregelen voorgeschreven om de
ontsmetting, de gezondmaking en het onderhoud van de lokalen te verzekeren

Art. 7.1.6. Administratieve geldboetes
Bij overtreding van art. 7.1.3.2. a) wordt een administratieve geldboete van 50 EUR opgelegd.
Bij herhaling van overtredingen op dit artikel binnen het jaar na het vaststellen van deze overtreding wordt het bedrag van de administratieve geldboete verdubbeld, conform artikel 119 bis§5 1e lid van de Nieuwe Gemeentewet.

Lijkvervoer

Art. 7.2.1.
Het lijkvervoer wordt waargenomen door gespecialiseerde ondernemingen onder toezicht van het gemeentebestuur.
Bij het bezorgen van de stoffelijke overblijfselen op de gemeentelijke begraafplaats moet de gemeentelijke administratie ten minste twee werkdagen vooraf verwittigd worden, door middel van het daartoe bestemd formulier, dat vermeldt of het gaat om een begraving, een bijzetting in het columbarium of een uitstrooiing. Onmiddellijk na de bezorging van de stoffelijke overblijfselen op de gemeentelijke begraafplaats wordt een voorlopig gedenkteken geplaatst, waarop de naam van de overledene vermeld wordt. Deze verplichtingen rusten bij de naaste verwanten of de gemachtigde.

a) Vervoer van niet-gecremeerde lijken.
De stoffelijke overschotten moeten in een doodskist of een ander lijkomhulsel geplaatst worden. De niet-gecremeerde stoffelijke overschotten worden individueel met een lijkwagen of op de meest passende wijze vervoerd. Het vervoer moet steeds over de kortst mogelijke afstand gebeuren.
Het vervoer van stoffelijke overschotten naar een andere gemeente is verboden, behoudens machtiging van de burgemeester. Deze machtiging wordt slechts gegeven op voorlegging van een document waaruit het akkoord blijkt van de burgemeester van de plaats van bestemming.
Het vervoer naar een plaats op het grondgebied van de gemeente, van stoffelijke overschotten van personen die er niet zijn overleden of dood aangetroffen werden is verboden, behoudens machtiging van de burgemeester.
Voor het vervoer naar een rouwcentrum buiten de gemeente, in afwachting van een begrafenis binnen de gemeente, kan door de burgemeester aan een gespecialiseerde onderneming een permanente toelating worden verleend.
Voor het vervoer naar een rouwcentrum binnen de gemeente, in afwachting van een begrafenis buiten de gemeente, kan door de burgemeester aan een gespecialiseerde onderneming een permanente toelating worden verleend.


b) Vervoer van gecremeerde lijken.
Het vervoer van gecremeerde lijken is vrij, doch moet gebeuren volgens de regels van welvoeglijkheid.

c) Vervoer van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten naar het buitenland
Voor zover stoffelijke overschotten van de in België overleden personen naar het buitenland moeten vervoerd worden, is het vervoer, naargelang het geval, onderworpen aan de formaliteiten vermeld in:
1. het koninklijk besluit van 8 maart 1967, wanneer het lijk moet vervoerd worden naar Luxemburg of Nederlandë;
2. het akkoord van Straatsburg van 26 oktober 1973, wanneer het lijk moet vervoerd worden naar een ander land dan vermeld onder a) en dat het akkoord van Straatsburg ondertekend heeftë;;
3. het verdrag van Berlijn van 10 februari 1937, wanneer het lijk moet vervoerd worden naar Duitsland
4. het regentbesluit van 20 juni 1947, wanneer een lijk moet vervoerd worden naar een land, niet bedoeld in 1 of 2

Lijkbezorging

Art. 7.3.1.
De lijkkisten en de lijkomhulsels moeten in volle grond begraven worden op een minimumdiepte zoals bepaald in dit artikel. Er mogen ten hoogste 2 stoffelijke overschotten boven elkaar geplaatst worden mits boven iedere doodskist of lijkwade een laag grond van ten minste 30 cm wordt aangebracht. Boven de bovenste doodskist of lijkwade bevindt zich een laag grond van ten minste 65 cm.
De minimale afstand tussen een graf en de perceelsgrens van de begraafplaats bedraagt één meter.
Diepte van de graven :
- minimumdiepte van 1,50 m voor een afzonderlijk graf.
- minimumdiepte van 2,00 m voor een graf bestemd voor dubbele begraving.
Behoudens in geval van bijzetting in een grafkelder waar een hermetisch omhulsel verplicht is gedurende de periode van de bijzetting, is het verboden gebruik te maken van doodskisten, foedralen, lijkomhulsels, producten en procédés die de natuurlijke en normale ontbinding van het stoffelijk overschot of de crematie verhinderen.

Art. 7.3.2.
De asurnen worden begraven in volle grond op een diepte van ten minste 65 cm of worden bijgezet in een columbarium dat ter beschikking gesteld wordt door het gemeentebestuur.

Crematie, columbarium, asverstrooiing

Art. 7.4.1.
Voor crematie is een toestemming vereist van de ambtenaar van de burgerlijke stand waar het overlijden werd vastgesteld, indien dat overlijden in een gemeente van het Vlaamse Gewest heeft plaatsgehad.
Ingeval van overlijden buiten een gemeente van het Vlaamse gewest is een verlof tot crematie vereist van de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt.

Art. 7.4.2.
§ 1. De as van gecremeerde lijken kan in urnen worden geplaatst die op de begraafplaats worden begraven of in een columbarium worden bijgezet.
De as van gecremeerde lijken kan op een van de volgende plaatsen worden uitgestrooid :
1° op een daartoe bestemd perceel van de begraafplaats°;
2° op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee onder de voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt.
De as van de overledene wordt met respect en eerbied behandeld en kan geen voorwerp uitmaken van een commerciële activiteit, met uitzondering van die activiteiten die verband houden met het uitstrooien of begraven van de as of met het overbrengen ervan naar de plaats waar de as bewaard zal worden.
Indien de overledene dit schriftelijk heeft bepaald of, bij gebrek aan schriftelijke bepaling door de overledene, op gezamenlijk schriftelijk verzoek, vooraleer de crematie plaatsvindt, van zowel de echtgenoot of van diegene met wie de overledene een feitelijk gezin vormde als van alle bloed- of aanverwanten van de eerste graad of, indien het om een minderjarige gaat, op verzoek van de ouders of voogd, kan de as van gecremeerde lijken :
1° worden uitgestrooid op een andere plaats dan de begraafplaats. Deze uitstrooiing kan evenwel niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats bedoeld in het eerste lid en het tweede lid. Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist°;
2° worden begraven op een andere plaats dan de begraafplaats. Deze begraving kan evenwel niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats bedoeld in het eerste en het tweede lid. Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist°;
3° in een urne ter beschikking worden gesteld van de nabestaanden om te worden bewaard op een andere plaats dan de begraafplaats. Indien er een einde komt aan de bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats, wordt de as door toedoen van de nabestaande die er de zorg voor heeft of zijn erfgenamen in geval van diens overlijden, ofwel naar een begraafplaats gebracht om er begraven, in een columbarium bijgezet of uitgestrooid te worden, ofwel op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee uitgestrooid te worden.
De persoon die de as in ontvangst neemt, is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepalingen.
De Vlaamse regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de in het vierde lid bedoelde bewaringen, begravingen of uitstrooiingen moeten voldoen.
§ 2. Onverminderd hetgeen is bepaald in § 1 kan, op verzoek van de echtgenoot en van de bloed- of aanverwanten in eerste graad, een gedeelte van de as van het gecremeerde lijk aan hen worden meegegeven.

Art. 7.4.3.
Onverminderd de naleving van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging, overeenkomstig artikel 15 van het decreet kan een asurn op vraag van de nabestaanden en mits toestemming van de burgemeester, opgegraven worden om te worden uitgestrooid of om te worden bijgezet in een concessie.

Art. 7.4.4.
In het columbarium mag een nis maximaal twee urnen bevatten. De nadere bepalingen zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement.
De heropening en de sluiting vóór en na de bijzetting in het columbarium mag enkel en uitsluitend gebeuren door de zorgen van de bevoegde aangestelde van het stadsbestuur.
De gedenktekens, die worden aangebracht op de afdekplaat moeten voldoen aan de bepalingen van het huishoudelijk reglement.
Het is onder geen enkel beding toegelaten andere of bijkomende herdenkingsplaten of naamplaten aan te brengen op de gesloten nissen.
Voor wat betreft het columbarium wordt tevens bepaald dat :
- het toegelaten is een gedenkteken of een bloemstuk (al dan niet natuurlijk) te bevestigen op de afdekplaat van de nis, voor zover dit voorwerp de afmetingen van de afdekplaat niet overschrijdt, noch enige hinder betekent voor de andere nissen. Het is verboden boven op het columbarium enig voorwerp te plaatsenó;
- kronen en andere bloemstukken geplaatst voor het columbarium in aantal beperkt worden tot één per gesloten nis of bijzetting, uitgezonderd tijdens de volgende perioden :
a) de periode die volgt op de bijzetting met een maximum duur van één maandé;
b) de periode rond Allerheiligen, zijnde van één week vóór tot twee weken na Allerheiligen.
De bloemstukken zullen desgevallend ambtshalve verwijderd worden.

Art. 7.4.5.
Uitstrooiing van de as op het daartoe bestemde perceel van de begraafplaats gebeurt door middel van een strooitoestel dat alleen door de gemeentelijke aangestelde mag worden bediend.
Bij een perceel bestemd voor de asverstrooiing wordt :
- door de gemeente een plaats voorzien waarop er per asverstrooiing een naamplaatje bevestigd wordt.
- een plaats voorbehouden voor het aanbrengen van gedenkenisvoorwerpen.
Op de asverstrooiingspercelen op de openbare begraafplaatsen mogen geen voorwerpen worden geplaatst (bloemen, kransen, herinneringsbeelden) die de normale groei van het gras belemmeren.

Art. 7.4.6.
Een graf op het urnenveld kan maximaal 2 urnen bevatten. De nadere bepalingen zijn onderworpen aan de reglementering opgenomen in het huishoudelijk reglement.

Opgravingen

Art. 7.5.1.
Opgravingen zijn enkel mogelijk :
a. op bevel van de gerechtelijke overheid;
b. bij terugneming van een geconcedeerd perceel of een nis wegens openbaar belang of dienstnoodwendigheden;;
c. bij wijziging van de bestemming van de begraafplaats;;;
d. op verzoek van belanghebbenden, ten vroegste 10 jaar na de begraving, en mits voorafgaande machtiging van de burgemeester. Het verlenen van toestemming tot opgraving door de burgemeester kan enkel om ernstige redenen. De termijn van 10 jaar is niet van toepassing op asurnen.

In geval van herbegraving moet door de burgemeester een toelating verleend worden tot herbegraving op een gemeentelijke begraafplaats.
Als een overledene in een andere gemeente wordt herbegraven moet de burgemeester van die andere gemeente toestemming geven voor de herbegraving in zijn gemeente vooraleer het stoffelijk overschot wordt opgegraven. De burgemeester van de gemeente waar het stoffelijk overschot begraven ligt moet toestemming geven tot de opgraving.
Het stoffelijk overschot moet onmiddellijk naar de nieuwe bestemming worden vervoerd en begraven, mits inachtneming van alle voorschriften terzake.

Voor crematie na opgraving is eveneens de toestemming tot opgraving van de burgemeester vereist. De behandeling van de as gebeurt overeenkomstig artikel 7.4.2. van dit hoofdstuk.

Art. 7.5.2.
Behalve de opgravingen door de gerechtelijke overheid bevolen, mag geen opgraving worden verricht dan met een schriftelijke toelating van de burgemeester.
De nabestaanden moeten de aanvraag tot opgraving schriftelijk richten aan de burgemeester. Onverminderd het recht van de burgemeester om in de toelating bijzondere voorwaarden op te leggen, moeten steeds volgende beschikkingen worden nageleefd:
a) dag en uur waarop de opgraving zal geschieden, worden in overleg met de gemeentelijke administratie vastgesteld;;;;
b) het grafteken, de beplantingen en alle andere voorwerpen die het openleggen van het graf kunnen bemoeilijken of beletten, moeten verwijderd worden vooraleer tot de opgraving wordt overgegaan;;;;;
c) het verwijderen van de grafsteen gebeurt ten laatste 2 dagen voor de ontgraving.
d) het openleggen van het graf, het openen van de grafkelder, het lichten van de kist uit het graf en het vullen van de kuil geschieden door de zorgen van de gemeente;;;;;;
e) het openen van de nis, het uitnemen van de urn uit de nis en het terug sluiten van de nis, geschieden door de zorgen van de gemeente.

Art. 7.5.3.
De begraafplaats wordt op het tijdstip van de opgraving voor het publiek gesloten. Deze sluiting kan vooraf aan het publiek bekend gemaakt worden. Behalve bij gerechtelijk bevel worden de ontgravingen enkel op werkdagen en bij gunstige weersomstandigheden verricht. De opgraving wordt bij voorkeur vroeg in de morgen uitgevoerd.
De personen die belast zijn met de opgravingwerkzaamheden moeten voldoende opgeleid zijn en moeten beschermende kledij dragen.
De opzichter van de begraafplaatsen kan de vernieuwing van de kist voorschrijven. Elke andere maatregel kan genomen worden die van aard is de welvoeglijkheid en de openbare gezondheid te beschermen, op kosten van de aanvrager.

Art. 7.5.4.
Indien wordt vastgesteld dat kledingstukken of andere omhulsels het verteringsproces ernstig vertragen moet de ondoordringbaarheid voor lucht van deze omhulsels bij herkisting worden opgeheven. Zo mogelijk wordt het storende omhulsel verwijderd.
Tijdens een eventueel transport van de onverteerde resten wordt gebruik gemaakt van een al dan niet herbruikbare lucht- en vloeistofdichte kist.

Art. 7.5.5.
De prijs en betalingsmodaliteiten voor de opgraving worden vastgesteld in het retributiereglement. Alle kosten zijn ten laste van de aanvrager(s).

Art. 7.5.6.
Ontruimingen kunnen plaatsvinden nadat de termijn van een graf of nis, om welke reden dan ook verlopen is. Nadere bepalingen worden vermeld in het huishoudelijk reglement.

Graftekens, bouw- en beplantingswerken

Art. 7.6.1.
Tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten, heeft eenieder het recht een grafteken te plaatsen zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder.

Art. 7.6.2.
Op de begraafplaatsen van de gemeente:
a) mogen de graftekens de maximale afmetingen vermeld in het huishoudelijk reglement in geen geval overschrijden.
b) moeten de aanplantingen binnen de perken, toegewezen aan elk graf, blijven. Ze moeten altijd zo geschikt worden dat ze het zicht en de doorgang niet belemmeren.
c) is het planten van bloemen, struiken en seizoenplanten, wier hoogte niet meer bedraagt dan 1,00 m, toegelaten.
d) moeten de opschriften en de grafschriften steeds leesbaar zijn en de openbare orde en de aan de doden verschuldigde eerbied respecteren.
e) mag er geen materiaal achtergelaten worden. De burgemeester laat op kosten van de overtreder de materialen verwijderen in geval van overtreding van de verbodsbepaling vervat in punt d en zulks na een zonder gevolg gebleven ingebrekestelling.
f) mogen rond de graven geen afsluitingen of omheiningen gemaakt worden.
g) moeten de op de graven aangebrachte bloemen en planten goed onderhouden worden. Afgestorven bloemen en planten worden onmiddellijk verwijderd. Bij gebreke hiervan zal de opruiming en het verwijderen geschieden door de zorgen van de gemeente.

Art. 7.6.3.
Op de gemeentelijke begraafplaatsen gebeurt de plaatsing, de wegneming of de verbouwing van graftekens en de uitvoering van beplantingen onder toezicht van de opzichter van de begraafplaatsen en dit binnen de uren en termijnen die opgelegd worden.
De graftekens moeten zodanig opgericht en onderhouden worden dat zij de veiligheid en doorgang niet belemmeren en zonder schade aan te brengen aan de aangrenzende graftekens en graven.

Art. 7.6.4.
Voor de plaatsing of de verbouwing van grafstenen en van aanplantingen is een schriftelijke toestemming vereist. Deze toelating wordt enkel verleend aan de eigenaars of hun lasthebbers, die zich hiervoor moeten wenden tot de administratie.
Voor het afnemen van de grafstenen staan de familieleden of naasten in.
Het verwijderen van de grafsteen gebeurt ten laatste 2 dagen voor de begraving om 8.00 uur ’s morgens.
In de twee bovenvermelde gevallen worden de werken uitgevoerd onder toezicht van de opzichter van de begraafplaatsen.
Alle bouw -, beplanting - of aanlegwerken en elke plaatsing van graftekens zijn verboden op zon- en feestdagen en buiten de openingsuren van de kerkhoven op werkdagen.
De materialen moeten derhalve zo veel als mogelijk geprefabriceerd ter plaatse worden gebracht om de werken op de begraafplaats tot het volstrekt minimum te beperken.

Art. 7.6.5.
Drie werkdagen voor Allerheiligen tot en met Allerzielen is het verboden:
a) om het even welke grafsteen of bijhorigheid op een graf te plaatsen, te herstellen of ervan te verwijderen. Dit verbod omvat niet het aanbrengen van bloemen en kransen, bloempotten of ornamenten.
De reeds geleverde grafstenen of graftekens, die drie werkdagen voor Allerheiligen niet geplaatst zijn, moeten door de opdrachtgever daags nadien voor 10.00 uur verwijderd worden. Indien de opdrachtgever hieraan geen gevolg geeft, worden de kosten voor het verwijderen van de grafsteen of het grafteken door het stadsbestuur, verhaald op de overtreder.
b) beitel - of schilderwerk uit te voeren, graftekens en bijhorigheden te voegen, recht te zetten of te herstellen’;
Enkel de opschik van de beplanting is toegelaten mits de wegen en andere graven rein worden gehouden en niet worden beschadigd.
c) bij het poetsen van grafzerken, andere zerken te bevuilen.

Afval, plantresten, papier enz. worden naar de daarvoor aangeduide plaatsen gebracht.

Art. 7.6.6.
De graftekens moeten voldoen aan de bepalingen van het huishoudelijk reglement.
Gedenktekens die niet overeenstemmen met de bepalingen van de politieverordening moeten worden verwijderd door de opdrachtgever van de plaatsing. De concessiehouder of nabestaanden, indien gekend, zullen hiervoor schriftelijk in gebreke worden gesteld. Bij gebrek aan herstel binnen een periode van 6 maanden na de ingebrekestelling en na de aanplakking van het desbetreffende bericht zal de verwijdering door het gemeentebestuur gebeuren, en zullen de kosten ten laste gelegd worden van de opdrachtgever(s).

Onderhoud van de graven

Art. 7.7.1.
De nabestaanden staan in voor het onderhoud van de graven en alles wat zich erop bevindt.
Wanneer een graf, door plantengroei overwoekerd, vervallen, ingestort of bouwvallig is, wordt een akte van verwaarlozing opgesteld door de burgemeester. Die akte blijft één jaar lang aangeplakt aan de ingang van de begraafplaats en bij het graf. De vaststelling van de verwaarlozing wordt, in de mate van het mogelijke, ook schriftelijk ter kennis gebracht van de nabestaanden.
Na het verstrijken van de termijn van één jaar en bij niet herstelling wordt op bevel van de burgemeester overgegaan tot afbraak of tot het wegnemen van de materialen op kosten van de nabestaanden. Daarenboven kan het college van burgemeester en schepenen een einde stellen aan de toegestane concessie.
De concessiehouder of nabestaanden kunnen echter ook beslissen om het grafmonument of de voorwerpen erop, tijdens of onmiddellijk na de procedure, zelf te verwijderen. De opgegraven stoffelijke resten zullen naar een andere grafplaats overgebracht worden.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de burgemeester verwaarloosde gedenktekens doen wegnemen zonder verhaal of aanspraak op vergoeding. De dringende noodzaak zal worden vastgesteld in een akte, opgemaakt door de burgemeester, die wordt aangeplakt aan het graf en aan de ingang van de begraafplaats, Een afschrift van deze akte wordt verstuurd naar de concessiehouder of naar de nabestaanden.

Ordemaatregelen

Art. 7.8.1.
De begraafplaatsen zijn voor het publiek toegankelijk alle dagen op de volgende uren:
- van 01 april tot 30 september vanaf 08.00 uur tot 20.00 uur.
- van 01 oktober tot 31 maart vanaf 8.30 uur tot 17.00 uur.
Voor alle bloemisten van Landen wordt een afwijking van deze openingsuren toegestaan gedurende één week voor Allerheiligen en één week na Allerheiligen.
Voor dienstnoodwendigheden kunnen de begraafplaatsen, tijdens deze openingsuren, op bevel van de burgemeester tijdelijk voor het publiek gesloten worden.

Art. 7.8.2.
De begraafplaatsen mogen enkel betreden worden:
a) door voetgangers, vervoermiddelen van gehandicapte personen, lijkwagens of daarmee gelijkgestelde wagens, voertuigen van de gemeentelijke onderhoudsdienst en andere voertuigen mits machtiging van de burgemeester.
De lijkwagen of een daarmee gelijkgesteld vervoermiddel, die op de begraafplaats toegelaten is, moet stapvoets rijden.
b) De toegang tot de begraafplaatsen is in elk geval verboden voor:
- ruiters, fietsers en bromfietsers (fietsen en bromfietsen kunnen wel binnen de begraafplaatsomheining gestald worden).
- personen in staat van dronkenschap.
- spelende kinderen.
- dragers van vuurwapens (uitgezonderd politieagenten).